Epistemologische wanhoop is niet het soort wanhoop dat een duiker heeft wanneer hij niet meer op tijd naar boven kan komen, of dat een vrouw heeft wanneer ze op de vlucht voor een kwade man een doodlopende steeg invlucht, of dat iemand in een nachtmerrie heeft wanneer hij zijn gezicht in de spiegel in een weerwolf ziet veranderen.
Epistemologische wanhoop lijkt in de verste verte niet op de paniekreactie die velen zich voorstellen bij het woord wanhoop. Epistemologische wanhoop komt wanneer je op een dag opstaat, je tanden poetst en aan de ontbijttafel tot de ontdekking komt dat niets zeker te weten is. Je drinkt je thee op, doet je jas aan en gaat naar je werk. En je blijft dat doen. Dag na dag. Voorlopig.
Epistemologische wanhoop is ook iets wat je samen doet. Het is een radeloos levensgevoel dat bijna iedereen schijnt te bekruipen en daardoor minder eng is. Eigenlijk is het politiek incorrect om die wanhoop niet te voelen. Het is bovendien ‘not done’ om toe te geven dat die wanhoop eigenlijk leidt tot… wanhoop. Er worden grapjes over gemaakt net als over de dood. Maar diep van binnen knaagt het.
Het is een soort wanhoop waarbij de mensen die het echt doorhebben in de afgrond springen zonder een briefje achter te laten. Want er is niets meer te zeggen, niets meer te hopen, niets meer verlangen. En van de poppenkast van al die mensen die doorhobbelen alsof er niets aan de hand is, krijg je alleen maar braakneigingen. Le degout.
Voordat epistemologische wanhoop iedereen in z’n greep kreeg, had de werkelijkheid nog betekenis. Die was namelijk kenbaar en wat erachter zat ook. Maar toen kwam Kant die zei dat wij alleen maar verschijnselen waarnemen en niet de echte werkelijkheid. Dat baarde aanvankelijk weinig zorgen, maar 100 jaar later was het voor Nietzsche onder meer aanleiding om te zeggen dat God dood was. Was dat waar? Was dat niet waar?
Het duurde niet lang of men begon steeds meer te twijfelen aan de mogelijkheid om de werkelijkheid te doorgronden. Het heeft o.a. geleid tot het postmodernisme: er is maar één waarheid en dat is dat er geen waarheid is. Voelde dit aanvankelijk als een bevrijding, nu begint het te landen dat er dan zo weinig overblijft.
Maar het heeft eveneens geleid tot het vrijzinnig christendom. De aanvallen vanuit de westerse filosofie en wetenschap op het christendom waren van dien aard dat veel christenen het voor bekeken hielden. Bestaat God? Weet ik niet. Is Jezus de Zoon van God? Implausibel. Is het Nieuwe Testament historischw waar? Implausibel. Deed Jezus wonderen? Natuurlijk niet.
“We weten het niet”, lijkt een eerlijk en veilig bastion, maar wat blijft er over? We kunnen nog wel 1 en 1 optellen, maar van het grote verhaal van de mensheid kunnen we niets meer vertellen. De wereld is een lege put zonder echo. Een spiegel zonder reflectie. Een reis zonder aankomst. En dat is nu epistemologische wanhoop, de twijfel aan het weten over onze oorsprong, onze moraal, onze bestemming en dus over onze betekenis.
Epistemologische wanhoop is veel erger dan een paniekaanval. Het is radeloosheid als basisgevoel voor het leven en de richting die wij kiezen. Wie kan daar nu mee leven? Was het maar een nachtmerrie of een spannende film waarin wij de wanhoop nabij waren en ten laatste gered worden door een held op het witte paard. Maar in helden geloven wij niet meer. We geloven alleen nog maar in zwarte gaten.
Gearchiveerd onder: cultuuranalyse, epistemologie, filosofie, moreel relativisme, vrijzinnigheid getagged: | epistemologie, epistemologische wanhoop, Kant, Nietzsche, vrijzinnigheid
