Waarom is apologetiek nodig?
Het christelijk geloof moet vaak in een vijandige omgeving opereren en heeft daarom altijd wel vijanden gekend. Het is wezenseigen voor het christendom om andere culturen binnen te dringen en de confrontatie aan te gaan met andere levensbeschouwingen. Daarom is de verdediging van het christendom zo oud als het christendom zelf. In elk nieuw tijdperk, in elke nieuwe situatie, moet de kerk haar boodschap opnieuw uitvinden in het licht van haar omgeving. Telkens moet deze verdediging van het onveranderlijke evangelie opnieuw worden geformuleerd.
In onze tijd is apologetiek meer dan ooit actueel. Vijandschap jegens het christendom heeft geresulteerd in een proces waarin het Westen zich van een verchristelijkte cultuur ontwikkeld heeft tot een samenleving waarin het christendom slechts marginaal aanwezig is. Laten we daarom de geschiedenis van onze westerse beschaving in vogelvlucht beschouwen om zicht te krijgen waar we nu zijn. Wanneer we dat doen, zal de relevantie van apologetiek vanzelfsprekend worden.
Kort overzicht van de ontwikkelingen in onze westerse beschaving
In de middeleeuwen geloofde iedereen in de God van de Bijbel. De enige die dat niet deden waren de ‘Mohammedanen’, maar die waren ver weg. Anderen die dat ook niet hadden gedaan waren de oude Grieken. En die werden langzaamaan ontdekt. Thomas van Aquino bouwde nog een heel denksysteem waarin hij het denken van Aristoteles integreerde met een christelijk wereldbeeld. Maar na hem, aan het eind van de middeleeuwen, brak een nieuwe periode aan.
In de renaissance en het humanisme kwam de nadruk meer op de mens te liggen. De menselijke ervaring, het aardse leven hier kwam centraal te staan in plaats van de middeleeuwse visie waarin het aardse leven slechts in het teken stond van het hiernamaals waar God over de mens zou oordelen.
Niet veel later vond de Reformatie plaats die – zij het met een andere insteek – eveneens nadruk legde op de mens. De menselijke individualiteit werd belangrijk gevonden. Iedere mens moest zelf de Bijbel lezen. De autoriteit lag niet langer bij de kerk maar bij de de Bijbel. Iedere gelovige had zelf toegang tot die autoriteit en kon zich het persoonlijke heil zelf toeëigenen.
De ontwikkeling van de filosofie bleef niet achter. Het rationalisme ving aan met Descartes die stelde: ‘Cogito ego sum’, ‘ik denk dus ik ben’. Hij maakt zichzelf tot vertrekpunt voor het vergaren van kennis over de werkelijkheid. We kunnen het rationalisme zien als een verabsolutering van de rede: de mens leert kennen via zijn zelfstandige rede. De menselijke rede brengt de werkelijkheid in kaart en domineert deze werkelijkheid. God niet nodig omdat de rede zelfstandig haar werk kan doen. God wordt voor zijn bestaan zelf afhankelijk gemaakt van de rede. Langzaam ontstond er een kloof tussen rede en geloof, tussen de materiële werkelijkheid en de immateriële, tussen het natuurlijke en het bovennatuurlijke.
Het resultaat was dat God langzaam maar zeker uit beeld verdween. Gods bestaan was afhankelijk gemaakt van onze rede. Omdat de menselijke rede als autonoom werd beschouwd, bleek God niet meer nodig te zijn. Bovendien ontdekte men genoeg dingen die aanleiding gaven de God van de Bijbel te gaan betwijfelen. God werd als onkenbaar gezien en uiteindelijk niet relevant gezien. Goddelijke openbaring werd verworpen; de materiële werkelijkheid en de rede die die in kaart bracht werden de allesomvattende werkelijkheid.
Dit denken ging de wetenschappelijke methode beheersen. Ook de menswetenschappen en de theologie ontkwamen niet aan dit nieuwe paradigma. Voor de theologie betekende dit dat de Bijbel als mythe bezien werd. Geloof in de bijbelse God werd als onzinnig en achterhaald beschouwd. Sommigen, filosofen en theologen, gingen zover om te stellen dat God dood was.
De situatie in onze tijd
Dit heeft dus geresulteerd in een kerk die volledig irrelevant is en vrijwel geen invloed uitoefent op de maatschappij. Het heeft geresulteerd in een cultuur die twijfelt aan morele en transcendente kennis. Elke notie van absolute waarheid is verworpen. Het is een cultuur zonder basis van absolute normen en waarden. Wat nog over is van een verchristelijkte cultuur is ondehevig aan harde erosie. Velen geven zich over aan een hedonistische levensvisie. Waar geen kennis van goed en kwaad meer bestaat zijn zedenverwildering, genotzucht en bandeloosheid het resultaat.
Christenen staan bloot aan aanvallen tegen het geloof die op ons afkomen via de media en het educatieve systeem. Veel gelovigen beginnen te twijfelen aan de aloude waarheden. We zien afkalving die resulteert in kerkverlating. Onze evangelisatieboodschap wordt als betekenisloos ervaren omdat het antwoorden biedt vanuit een als achterhaald en achterlijk beschouwd wereldbeeld geeft op vragen die niet langer gesteld worden.
Als er nog enige hoop is op een herstel van christendom zal die gelegen zijn in een geestelijke transformatie die tevens de basis is van een intellectuele opleving. De voorvragen die aan een wereldbeeld vooraf gaan, zullen opnieuw gesteld en geactualiseerd moeten worden. Vanuit deze voorvragen, die laten zien dat het christelijke wereldbeeld betere antwoorden biedt op de vragen die alle mensen van alle tijden bezighouden, kunnen nieuwe bruggen worden geslagen naar een op hol geslagen beschaving op weg naar de afgrond. Mogelijk kan het tij van moreel verval en zinloosheid nog gekeerd worden.
Wat de kerk nu nodig heeft, zowel intern (pastorale zorg) als extern (verkondigende opdracht), is nadrukkelijk apologetiek.
Filed under: apologetiek | getagged: apologetiek, filosofie, geschiedenis, westers denken, westerse filosofie
